Quantcast
Lees het hoofdstuk over club RoXY uit het nieuwe boek 'Roaring Nineties' van Jannah Loontjens

Morgen ligt het boek in de winkel.

foto's uit archief Jannah Loontjens Met veel nostalgie kijken we vaak terug naar de jaren negentig. Niet alleen omdat house en techno in Nederland nog een nieuw fenomeen was, ook omdat het een bijzondere tijd was van ongekende economische voorspoed en vrijzinnige geesten. Een van de plekken die symbool staat voor het decenium is natuurlijk Club RoXY, een plek die odimitok schrijver, filosoof, literatuurwetenschapper en dichteres Jannah Loontjens frequent bezocht. Morgen komt haar nieuwe boek Roaring Nineties uit via Ambo/Anthos Uitgevers. Ze onderzoekt hierin de tijdsgeest van het decennium en de jaren die daaraan vooraf gingen, aan de hand van grote metafysische vragen. Zo ook in dit hoofdstuk dat speciaal is gewijd aan de club aan de Singel waarbij ze filosofen aanhaalt als Foucoult, Georges Bataille en Judith Butler.


RoXY

In 1993 huurde ik een kamer in de Vijzelstraat in Amster- dam. Vlak om de hoek bij de RoXY. Als ik rond middernacht naar de club wandelde kon ik vanaf de brug over de Singel de rij al voor de deur zien staan. Een rij van vijftien meter, onge- duldig wachtende gasten, van wie sommigen al op de mu- ziek die zij in hun hoofd hoorden stonden te dansen, en waar het ritme van een aanlopende fiets, een toeter of een brommer aan bijdroeg – ogen wijd opengesperd van de speed, kaken die heen en weer schoten, een hand die de to- nen in de lucht aanwees. Het vooruitzicht op de beat van de muziek, van dj Eddy de Clercq, Joost van Bellen of Dimitri, was al genoeg om op en neer te springen. Een lange rij men- sen in gewone kleding, van wie velen de toegang geweigerd werd, maar soms zat er iemand tussen die op te hoge hak- ken stond, netkousen en een pakje van aaneengenaaide lap- jes, paarse, gele, zilveren, en op het hoofd een goed gekapte pruik – als je er zo uitzag, hoefde je niet te wachten. Zij of hij kon de rij voorbijlopen, met de klopper in de vorm van een leeuwenkop tegen de deur bonzen, de deur ging op een kier open en de uitsmijter liet haar naar binnen glippen.

In vergelijking tot de andere clubs waar ik was geweest, heerste er in de RoXY een kunstzinnige, excentrieke sfeer, bevolkt door zoekende zielen, mensen die zich niet thuis voelden in de gebruikelijke patronen waar de samenleving je algauw in dwong; patronen van omgang, werk, verwach- tingen, sociaal leven, genderpatronen. De oprichters van de club zeiden dan ook dat de naam RoXY eigenlijk stond voor Radical Outlet for the Xenomaniac in You, 'een radicale uitlaatklep voor liefhebbers van alles wat vreemd is'. Er werd in de RoXY evenveel aandacht besteed aan de keuze van dj's als aan acts, kostuums en de decors, die veelal werden ontwor- pen door het duo Pinky en Lennart. Peter Giele, kunstenaar en medeoprichter van de club, noemde de RoXY het ultieme totaalkunstwerk. Het duurde niet lang of ik stond ook daar in een pakje op het podium, deed mee aan shows, was een van de hostessen op de easy-tunezondagen, werd door de Ready Maids gevraagd aan acts mee te doen en danste voor de opnames van een videoclip van Richard Cameron (waar- in ik uiteindelijk maar drie seconden te zien zou zijn).

RoXY was een plek waar veel transgenders, homo's en transseksuelen kwamen. Hoewel je tegenwoordig online moeiteloos gelijkgestemden kunt vinden, was in die tijd toegang tot clubs als de RoXY van groot belang om gelijkge- zinden te ontmoeten. Op de woensdag was er de gay-avond, maar op de meeste avonden deed het er niet toe wat je was. Je kon het ene moment lesbisch zijn of bi, het andere moment hetero. Eigenlijk spraken we er niet of amper over. Ik zag dit als een bewuste keuze voor een ongedefinieerde wijze van zijn. Met Foucault in gedachten, zag ik het bekennen van je geaardheid niet als een bevrijdende daad, maar als een defi- niërend mechanisme. Zolang je jezelf niet vastpinde, kon je alles zijn. Foucault had er ook op gewezen dat vroeger, voor- dat de medische wetenschap de seksuele voorkeuren in kaart had gebracht, homoseksualiteit niet aan je identiteit werd verbonden. Je kon sodomie beoefenen, maar dat was een daad, een daad die in principe iedereen kon begaan, dat hoefde niet direct iets over je identiteit te zeggen. Je kon ervaringen hebben en dingen beleven die geen blijvende stempel op je wezen hoefden te drukken. Je hoefde niet te beken- nen wat je 'was'.

Hoewel er vroeger minder openheid was, bestond er toen ook juist een zekere vrijheid in de geheimzinnigheid en de ongedefinieerde seksualiteit, zo maakte Foucault duidelijk. Ook de Franse filosoof Georges Bataille lichtte de clandes- tiene vrijheid uit die het seksuele taboe vroeger met zich meebracht. Hoewel het verbod op de vrijeliefdesdaad, die niet de voortplanting tot doel had en buiten het huwelijk om voltrokken werd, schaamte en schuldgevoelens opriep, om maar niet te spreken van de straf die erop kon volgen, gaf het verbod ook een extra gloed aan de geheime erotiek. De ver- leiding gloeide op in het spel met schaamte en verboden; de seksuele lust werd geprikkeld door de sfeer van geheimzin- nigheid en taboe.

Ik vroeg me weleens af of Foucault en Bataille niet ook ge- noten zouden hebben van de speelse acts in de RoXY, die de grenzen van taboe en schaamte opzochten. Of bijvoorbeeld van de act in de Supperclub, waarvoor een vrouw op een tafel op haar hoofd ging staan. Met een lange rok knielde zij, waarna ze haar benen omhooggooide en in balans op de tafel ondersteboven bleef staan. Haar rok gleed langs haar benen omlaag en ook haar billen bleken naakt te zijn. Zij spreidde haar benen en ons werd gevraagd een oester tussen haar naakte schaamlippen te plaatsen, met de uitnodiging aan de gasten om de amuse te komen nuttigen. Met het schaamrood op de kaken durfde heel soms iemand tussen haar benen voorover te buigen om de oester uit de schelp te slurpen.

Foucault onderzocht in zijn Histoire de la sexualité de wijze waarop er in de loop der geschiedenis over seksualiteit is ge- sproken en de beperkende werking van het definiëren van seksuele uitingen; aan iedere nieuwe duiding van seksuele praktijken werd namelijk ook een moreel oordeel gekop- peld. Ook Judith Butler maakte me bewust van de beperkin- gen van de begrippen waarmee we onze seksualiteit be- schreven. Zij schreef in haar bijdrage aan het boek Inside/Out dat de term 'homoseksualiteit' in de medische wetenschap was ontstaan om een afwijking mee aan te duiden. En ook het begrip 'heteroseksualiteit' was eigenlijk alleen in het le- ven geroepen om het contrast te benadrukken met homo- seksualiteit. We worden allemaal bepaald door de catego- rieën die voorhanden zijn en dit limiteert de mogelijkheden van het denken over identiteit.

Het zou veel beter geweest zijn als we onze seksualiteit niet in definities hoefden vast te leggen, was in die jaren mijn mening. Pas later merkte ik dat het idee dat je niets hoefde te bekennen, dat iedereen op een ander moment ook anders kon zijn, voor sommigen juist verwarrend en zwaar was. De meesten hadden juist behoefte aan helderheid en de mogelijkheid hierin open te zijn. De homo's of transgen- ders die uit de kast waren, waren dit vaak alleen in het nacht- leven en bij enkele vrienden. Op het werk, in de familie, in het geboortedorp, of tijdens een sollicitatiegesprek, was het een geheim dat verborgen werd. Dit was geen vrije vloei- baarheid van identiteit, maar onzekerheid, angst voor open- heid, angst voor reacties.

In haar boeken over gender onderzoekt Butler wat het ei- genlijk betekent om jezelf man of vrouw of homo of hetero te noemen – zowel voor degene die zich in een van deze categorieën thuis voelt als voor degene die zich er niet in thuis voelt. Butler maakt duidelijk hoezeer onze identiteiten en vooral de sekseverschillen geconstrueerd worden door maatschappelijke patronen. Op formulieren wordt de vraag naar je naam veelal gevolgd door de vraag van welk geslacht je bent: m/v. Niet alleen op formulieren worden deze cate- gorieën toegepast. Het zijn bepalingen die het denken over onszelf en anderen continu sturen. Butler laat in haar werk herhaaldelijk zien dat onze identiteit niet voorafgaat aan dergelijke categorieën, maar er juist door wordt gecreëerd.

Taal wordt gedeeld en vraagt daarmee om een zekere ma- te van conformisme. Hierdoor kan het moeilijk zijn om je eigen individualiteit in woorden te vatten, omdat je ook deel bent van de taalgemeenschap van bijvoorbeeld je geboorte- dorp. We kunnen weliswaar kiezen hoe we onszelf en onze levens beschrijven, maar de keuze wordt beperkt door het gemeengoed van de termen en zegswijzen waaruit we kun- nen kiezen. En vaak zijn het jargon en de wijze van spreken per omgeving anders. Hier moeten we ons steeds toe verhouden.

In de RoXY- en Supperclub-tijd had ik het gevoel dat woordkeuze maar een klein deel van onze communicatie uit- maakte. De wijze waarop je je manifesteerde, je uiterlijke ver- schijning, je manier van bewegen, je stembuiging en geba- ren gaven minstens evenveel uiting aan hoe en wie en wat je was. En bijvoorbeeld ook de keuze van de wc, waar de Sup- perclub humoristisch op inspeelde door het onderscheid tussen heren- en damestoiletruimtes te vervangen door ho- mo- en heterotoiletruimtes. Butler maakte aan de hand van

theorieën van de taalfilosoof John Langshaw Austin ook duidelijk dat er eigenlijk geen helder onderscheid valt te maken tussen 'doen' en 'spreken'. Natuurlijk bestaat er wel verschil tussen bijvoorbeeld het benoemen van een aantrekkings- kracht en de daadwerkelijke seksuele uiting ervan. Net zoals er een verschil bestaat tussen de dreiging om iemand pijn te doen en de werkelijke uitvoering ervan. Maar, zo schrijft But- ler, dreigende taal is op zich ook al effectief; dreiging is in principe al een vorm van 'doen', bijvoorbeeld van bang ma- ken. Vergelijkbaar kan het uitspreken van seksuele verlan- gens ook opwindend zijn en daarmee al een vorm van 'doen' zijn.

In haar boek Excitable Speech wijst Butler op de willekeur in de rechtspraak, waar bepaalde taaluitingen als handelingen worden gezien en andere taaluitingen als onschadelijk wor- den beschouwd omdat het geen handelingen zijn. Zo was het in Amerika bijvoorbeeld verboden om binnen de krijgs- macht te zeggen dat je homo was. De woorden 'ik ben ho- mo' werden namelijk als homogedrag beschouwd, wat niet werd geduld binnen het Amerikaanse leger. Een opmerking over de persoonlijke identiteit wordt dan gelijkgesteld aan een handeling die kwalijke gevolgen kan hebben voor ande- ren. Butler argumenteerde dat hiermee homoseksualiteit als iets besmettelijks werd beschouwd zodra het in de open- baarheid kwam.

In het nachtleven besprak ik dergelijke filosofische ana- lyses vrijwel nooit, of alleen heel soms met Margriet van Heesch, die destijds met haar tweelingzus Janneke gogo- danste en acts deed in de RoXY, maar later cultuurweten- schapper zou worden en toen al pleitte voor een paspoort

zonder de vermelding van je sekse. Je kunt geen geheel nieuwe taal uitvinden om aan dominante taaluitingen te ontko- men, maar je kunt de ontwikkelingen van taalgebruik wel beïnvloeden. Zoals lesbiennes dat bijvoorbeeld deden door het woord 'pot', dat aanvankelijk een scheldwoord was, als geuzennaam te gebruiken. Het verschuiven en veranderen van connotaties gebeurt meestal zonder vooropgezet plan. En als dit wel met een vooropgezet plan gebeurt, zoals bij het besluit dat binnen het Amerikaanse leger de zin 'ik ben homo' niet geuit mocht worden, dan blijkt dat een dergelijk verbod juist een discussie uitlokt, zo schrijft Butler. Hoewel het de bedoeling was dat homoseksualiteit hiermee zoveel mogelijk uit de militaire kring geweerd zou worden, heeft het juist gesprekken over homoseksualiteit gestimuleerd. Ons denken en leven wordt voor een groot deel bepaald door taal, maar taal leeft, en verandert continu door ons ver- anderend gebruik ervan.


Bestel het boek Roaring Nineties hier. Wil je meer lezen over de RoXY, lees dan dit artikelmet mede-oprichter Eddy de Clercq.