De muzikanten die wisten dat we allemaal cyborgs worden

Hoe de elektronische pop van Kraftwerk, Devo en Young Marble Giants ons waarschuwde voor onze post-menselijke toekomst.

|
jul. 14 2017, 12:30pm

In de jaren zeventig en in het begin van de jaren tachtig raakte software door de enorme opkomst van onder anderen Silicon Valley, computers en games meer geïntegreerd met het menselijke lichaam dan ooit. Opeens was het idee van kunstmatige intelligentie concreet, en over aanwezig.

Als je kijkt naar films als Blade Runner of luistert naar muziek als The Man-Machine van Kratwerk merk je dat het idee van mensen die in computers veranderen, of andersom natuurlijk, een veel gebruikte inspiratiebron is voor de artiesten in die tijd. Het is natuurlijk ook een bijzonder vraagstuk. Kunnen machines echt, zoals de Tyrell Corporation uit Blade Runner het noemt, menselijker worden dan de mens zelf?

Blade Runner komt voort uit het verhaal Do Androids Dream of Electric Sheep?, geschreven door Philip K. Dick. In 1972 bracht Dick een ander verhaal uit, We Can Build You, waarin hij beschrijft hoe tien jaar later, in 1982, androïden verkocht worden door een aardige, bescheiden producent van muziekinstrumenten, in plaats van een enorme fabriek zoals in Blade Runner.

Op een gegeven moment in het verhaal laat de instrumentenbouwer de elektrische keyboards voor wat ze zijn, en wordt er meer ingezet op de productie van robotsimulaties van personages uit de Amerikaanse burgeroorlog, bijvoorbeeld Abraham Lincoln. Hoe meer het verhaal vordert, hoe 'menselijker' de robots worden. Tot het moment waarop hun verontrustende aanwezigheid en verbijsterende intelligentie de verhoudingen in het bedrijf dusdanig verstoren dat het hele project de boot in gaat.

We Can Build You suggereert dat het delen van essentiële eigenschappen, bijvoorbeeld seksualiteit en het vermogen om te praten, met machines schadelijk is voor zowel de mens als de robot zelf. Naarmate de robot in het verhaal meer de controle neemt over zijn eigen leven, begint Louis Rosen, medewerker van het bedrijf, vraagtekens te zetten bij zijn eigen identiteit. Niet wetend waar 'mens' eindigt en 'machine' begint, wordt hij op een gegeven moment knettergek en schizofreen.

Toch is hij niet de enige in een identiteitscrisis. De Abraham Lincoln-androïde heeft het ook moeilijk met zichzelf, of zoals hij zegt: ''Een machine kan alles doen wat een mens kan, maar het heeft geen ziel''.

Leon Kowalski, een Nexus-6 replicant, in een scene uit Blade Runner (1982, Ridley Scott)

Louis Rosen gelooft dat de oplossing voor het probleem gevonden wordt als de eigenschappen van mens en machine gescheiden blijven, en niet samengevoegd worden om iets te creëren wat de menselijkheid overstijgt. Dit uit hij op het moment dat hij wordt geconfronteerd met nieuwe muziekinstrumenten als de Hammerstein Mood Organ, een apparaat dat in direct contact staat met het brein van de luisteraar en emoties kan aanpassen. ''Dat is geen muziek'', zegt Louis. ''Dit is een ontsnapping. Wie wil dit?''
De wereld die wordt beschreven in We Can Build You, dat zich dus afspeelt in de jaren tachtig, is doordrenkt is met elektronische geluiden. Aan het einde van de jaren zeventig werd elektronische muziek enorm zichtbaar, en hoorbaar natuurlijk, wat voortkomt uit de ontwikkeling die gaande was toen het nog een niche was. Computers en elektronische instrumenten als drummachines en synthesizers waren makkelijker te gebruiken en beter beschikbaar dan ooit, en al snel werden systemen als MIDI populair.
In de jaren tachtig werden muzikanten zowel in geluid als symbolisch veranderd in menselijke robots. De speculaties van Dick worden werkelijkheid. Synthesizers en drumcomputers kunnen analoge instrumenten met veel precisie nabootsen, terwijl de vocoder juist een bevreemdend cyborg-achtig effect heeft.

Neem de muziek van Kraftwerk, die de vocoder aan de massa hebben geïntroduceerd met nummers als Autobahn. Deze band omarmt dit geluid door organische klanken uit hun muziek te weren, en over thema's als androïden en cyborgs te zingen. In de late jaren zeventig noemden ze zichzelf bovendien 'Man Machines', zoals je ook op de albumcover van Man-Machine kan zien.

De invloed die Kraftwerk daarna op new-wavebands uitoefent is niet te ontkennen, denk aan Are Friends Electric? van Gary Numan, Mr. Roboto van Styx, The Man Amplifier van Young Marble Giants en Mechanical Man van Devo.

Alison Statton met Peter Joyce. (Foto door Wendy Smith, 1978/9)

Waar Kraftwerk pionierde met de samensmelting van mens en elektronische instrumenten, gaat het Britse trio Young Marble Giants voor een wat 'menselijkere' aanpak. Met Alison Statton op de vocals, Stuart Moxham op gitaar en elektronische orgel en Philip Moxham op bas, brengt de groep maar één LP uit op Rough Trade voordat ze uit elkaar gaan: Colossal Youth. Maar in de korte levensduur kan de groep zich niet alleen meten met Kraftwerk maar ook met de postpunkbands die op dat moment aan de weg timmeren. Hun drumcomputer is gemaakt door een neef van de Moxhams, die het apparaat bouwde met een gids uit een tijdschrift.

De elektronische orgel van de band vliegt op en neer en wisselt constant van pitch, in tegenstelling tot de ijskoude synths van Kraftwerk. Ze gebruiken de drumcomputer als een technologisch middel, en niet per se als muziekinstrument. Het klikt geleidelijk voort, alsof een kind zachtjes op wat potten en pannen tikt met een pollepel.

De teksten van Young Marble Giants hebben niet de futuristische visie van Kraftwerk, ze bestaan vooral uit minimalistische observaties van het alledaagse. Er zijn twee uitzonderingen die het noemen waard zijn: hun meest bekende track Final Day gaat op een speelse manier over een nucleaire Apocalyps en The Man Amplifier vertelt over een persoon dat voor de helft mens, voor de helft robot is. In een interview uit 1980 vertelt Stuart Moxham dat Philip dit lied schreef nadat hij een tv-programma zag over een robotpak uit de Koude Oorlog, wat de drager sterker en preciezer maakt.

De band vertelt in het liedje over een machine die meer mens dan een mens probeert te zijn en daarom juist faalt. "Als je in je neus wil peuteren en het apparaat is daar niet voor geprogrammeerd, rukt het zo je kop van je romp," zegt Stuart over het robotpak dat hij zag op tv. "Dit lied klinkt alsof het elk moment uit elkaar kan vallen." Stuart heeft gelijk. De leidende orgelpartijen en de kapotte drumbeat versterken de krakkemikkige zang op The Man Amplifier.

Alison Statton, Peter Joyce, Phil Moxham, Stuart Moxham. Digital copy taken from contact sheet, 2006, by Duncan Smith.
Alison Statton, Peter Joyce, Phil Moxham, Stuart Moxham van Young Marble Giants (door Duncan Smith.)

Eerst lijkt het nog alsof Young Marble Giants dolgelukkig is met de nieuwe technologie. Het karakter uit de titel is deel van de groep en 'zingt' het refrein, een heldere melodie op een elektronisch orgel in plaats van vocalen.

Maar in het volgende couplet, toont de band ongemak over het feit dat de machine niet echt menselijk is:

Parallel sympathy with you Skin to metal overture Take a walk, he's always near Like a shadow, never fear while we're singing

Net als in We Can Build You is er een hechte band tussen mensen, robots en muziek – misschien wel iets te hecht. De drummachine begint te klinken als naderende voetstappen, het orgel als een alarm. In het volgende couplet verandert angst in medelijden voor de menselijke versterker, wiens lichaam afbrokkelt. Een mogelijke oplossing voor de problemen van de machine is, zoals Alison zingt in het laatste couplet: "Lubricate the inner man / Exercise him when you can, and be singing."

In plaats van te proberen om superieure mensen te zijn, claimt Young Marble Giants dat robots moeten "oefenen" – leren, proberen en falen net als mensen. Dat is een veelvoorkomend geloof. In dezelfde periode schrijft Silvan Tomkins in een reeks boeken met de titel Affect Imagery Consciousness dat een goede androïde "naar alle waarschijnlijkheid een relatief hulpeloze kindertijd nodig hebben, gevolgd door groeiende competentie als ze jong volwassen is. Kortom: er is tijd nodig om te leren van fouten.

Recenter legde hacker George Hotz uit dat hij zijn zelfrijdende auto's niet laat rijden als mensen, hij laat ze leren om te rijden als mensen: terughoudend maar autonoom.

Tomkins verwerpt het idee in Freudiaanse 'drijfveren', in relatie tot digitale technologie met aan-uitknoppen – het idee dat als je een knop omzet, er telkens hetzelfde zal gebeuren. In plaats daarvan, schetst een raamwerk van menselijke motivaties, een met individuele oorzaken en gevolgen en effecten afhankelijk van de specifieke context.

Devo, ook een grote invloed op Young Marble Giants, worstelden het meest zichtbaar met de problemen van de integratie van mens en machine in de late jaren zeventig. Hun lied Mechanical Man vult The Man Amplifier aan. Een stem door een vocoder spreekt over een rammelende beat: "I'm a mechanical man… I'm a two plus two / Equals four man."

Het doel van de cyborg is onschuldiger dan de replicants uit Blade Runner, maar toch is het enige dat hij te bieden heeft 2+2=4. Het rafelende geluid van Devo's elektronische instrumenten suggereert dat 'mechanische mensen' niet bedoelt zijn om 'menselijker te zijn dan mensen', maar hun eigen wezens.

Vijfendertig jaar na Blade Runner zijn computers meer dan ooit bemiddelaars van onze identiteiten en fysieke lichamen. Toch blijft de verwijdering van het lichaam waar artiesten als Young Marble Giants en Devo voor pleitten aan het begin van het informatietijdperk enorm aantrekkelijk voor ons mensen.

Kunstmatige intelligentie kan, indien het zichzelf kan zijn, het nog beter doen dan "meer mens dan mens." Facebook heeft bijvoorbeeld net bekendgemaakt dat hun chatbots een eigen taal hebben bedacht in plaats van de onze te gebruiken. Dat is uiteraard eng, maar de afstand tussen ons en AI biedt ruimte voor ontdekking, ruis en menselijkheid, in welke vorm dan ook. Wij hebben lichamen, maar de machines ook.

Joe Bucciero is de co-auteur, samen met Michael Blair, van Young Marble Giants' Colossal Youth, nu uit op 33 1/3. Dit essay is gebaseerd op ideeën uit het boek.